3. okt, 2020

Hoe 't was rond 1960 van de vorige eeuw.

Hoe het was rond 1960 van de vorige eeuw.

Toen ik in 1968 begon met het obseveren van de in Nederland voorkomende wilde vogels waren er nog grote aantalen het jaarrond aanwezig.

Ik ben opgegroeid in Heusden bij Asten  aan de rand van de Groot Peel. Het was een kleinschalig boerendop, omringd door boerenlandheggen en houtwallen, veldbossen, struweelbosjes en moerasachtige broekbossen.

Er werd veel graanverbouwd op het boerenland, zoals Rogge, Tarwe, Gerst en Haver. In deze graanvelden groeiden veel onkruiden. Volop voer voor veel akkervogels en ook voor de hoenderachtigen en wat denk je van de muizen. Ook aardappels, suikerbieten en gele voederwortels werden in die tijd verbouwd. Serradelle (Ornithopus savivus is een eenjarige plant die werd gebruikt als voedergewas en voor groenbemesting en Spurrie (Spergula arvensis werd veel verbouwd op arme zandgrond als veevoer maar ook hier vodoende zaad voor veel vogels. Het grasland dat werd gebruikt was slecht ontwaterd en weinig bemest. Op dit soort grasland dat kruidenrijk was kwamen veel weidevogels en plantensoorten voor. Evenals dagvlinders en insecten die door de vogels werden gebruikt als voedsel. Deze halfnatuurlijke graslanden zijn vooral in de periode voor 1975 verdwenen. De resterende gebieden werden nagenoeg allemaal beheerd als natuurgebieden. Een recente veranderig (ruilverkaveling 1950) bij graslanden is het tijdelijk omzetten van grasland in andere gewassen. De verandering door ruilverkaveling had grote gevolgen voor Flora en fauna. Recent werd duidelijk dat intensiteit van het graslandgebruik een negatief effect op de biodiversiteit in de bodem heeft. Een aantal weidevogelsoorten is de laatste decennia enorm achteruitgegaan en die achteruitgang is nog niet gestopt. Ook dagvlinders en insecten gaan in graslanden achteruit, niet alleen in het agrarisch gebied maar ook in natuurgebieden. Daarentegen profiteren ganzen van het intensieve graslandgebruik.

Een belangrijke verandering bij bouwlanden betreft de gewaskeuze. Rond 1960 namen vooral rogge, haver, gerst en tarwe een groot areaal in beslag; daarna neemt het areaal geleidelijk af ten gunste van snijmaïs en aardappels. Veel akkeronkruiden zijn door de verandering, en als gevolg van intensievere lanbouw en bemesting inniddels zeldzaam geworden. Ook veel vogelsoorten die op akkers en akkerranden broeden zijn achteruitgegaan.

Intensief gebruik van bouw-en grasland, bestrijdingsmiddelengebruik, mechanisering en schaalvergroting van de landbouw zijn enkele van de oorzaken van de achteruitgang van de vogelstand in Nederland.

Van groot belang voor de economie was de opkomst van de industrie en het ontstaan van exportmogelijkheden waardoor er steeds meer behoefte kwam aan vlees en zuivelprodukten. De boeren breiden hun veestapel uit ten kosten van de akkerbouw. Hierdoor steeg de mestproductie zodat woeste gronden in cultuur gebracht konden worden en dit zorgde voor een aanzienlijke productieverhoging binnen de landbouw. Een belangrijke verandering betrof de mechaniserring. Zo verving de dorsmachine het tijdrovende dorsen met de vlegel en de melkfabrieken het thuiskarnen. Een wel zeer explosieve groei kwam in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De komst van de melkmachine was de start van de opeenvolgende productie-verbetering in de landbouw. Ligboxenstallen rezen als paddenstoelen uit de grond. Veertig jaar na de komst van de melkmachiene heeft de melkrobot het melken volledig overgenomen van de boer. Net als in de industrie heeft de arbeidsintensieve boerderij zich ontwikeld tot een kapitaalintensief bedrijf. Een groot probeem was de hoeveelheid mest die de uitdijende veestapel produceerde en die het milieu zwaar bellaste. Ook maatschapelijk kwam er steeds meer discussie over de wenselijkheid van verdere schaalvergroting binnen de intensieve veehouderij. Al met al is het beeld van het platteland in vijftig jaar ingrijpend veranderd. De  wagens met hoog opgestapeld graan en hooi zijn verdwenen. Zo ook de hooiruiters, de korenmijten en de veldschuren. Er kwamen buitengewoon handige machines om het gras te maaien, te schudden en te transporteren, rode en groene lawaaimakers en overal naast de boerderijen verschenen zwartplastic kuilbulten.

De veranderingen en achteruitgang van de vogelstand.

Gemiddeld genomen zijn de boerenlandsvogels sinds 1960 met 60-70% teruggelopen. Dat komt neer op de verdwijning va 3 tot 5 miljoen broedparen van het boerenland binnen 50 jaar. De soorten die in Nederland het hardst zijn afgenomen zijn: Veldleeuwerik (afname met 95%, dit betekend de verdwijning van 750.000 broedparen), Patrijs (afname 95% minus 90.000 broedparen), Ringmus (afname 90%, minus 70.000 broedparen) en de Grutto (afname  75% minus 90.000 broedparen). Het betreft zowel soorten van graslanden en akkers als van kleischalig cultuurlandschap. Hierbij zijn niet betroken enkele soorten die al vrij schaars waren en inmiddes geheel of bijna uit het boerenland zijn verdwenen (Ortolaan, Grauwegors en Kuifleeuwerik zie foto).

Ook heggen, houtwallen, veldbossen, struweelbosjes en moerasachtige vennetjes en broekbossen zijn door de ruiverkaveling geruimd en ter compensatie van deze verdwenen natuur verplaatst en opnieuw aangelegd. Deze komen vaak in het bezit van natuurorganisaties. Maar ook hiermee zijn een aantal vogels sterk afgenomen. Zoals Wielewaal, Nachtegaal, Grote lijster, Koekoek, Watersnip en Houtsnip.

Zo werden door verkaverling ook sloten en andere afscheidingen (zoals zandweggetjes) tussen kavels verlegd en er werden nieuwe en grotere wegen en waterwegen aangelegd. Volgens deskundigen een coplete verbetering van de lanbouwkundige situatie, inclusief de verbetering van de waterhuishouding en ontsluiting, een belanrijk doel. Overheden hebben lang tijd ruilverkaveling gestimuleerd om de voedselproductie te vergroten en te rationaliseren. Ook hier is met de vogels en dieren geen rekening gehouden. De meanderende beken moesten op rechte kanalen lijken zodat het water zo snel mogelijk naar de grote rivieren stroomde om de boeren maar geen overlast te bezorgen. En ze konden 3 keer per jaar machinaal gemaaid worden waardoor veel vogelnesten met eieren of jongen werden verstoord. Zoals Patrijzen, Geelgors, Gele en Witte kwikstaart, Graspieper, Grasmus, Roodborsttapuit en Wilde eend. Wat later in het jaar maaien is toch ook voldoende ! En dit geld ook voor de sloten. Maar ook hier mag werkelijk niets blijven staan, geen wilgenstruiken of braamstruik waar een vogel in kan nestelen. Alles moet schoon en opgeruimd zijn. In 2005 is hier verandering in gekomen. Er moesten langs de beken en lopen ecologische verbindingszones worden aangelegd. En moesten de beekdalen en lopen weer meanderen. Terug zoals het 50 jaar geleden was en dit met massa subsidiegeld van de Europese gemeenschap!

Het verdwene paradijs.

Het uitbundige feest van de kleurige akkers van vroeger 1960 is wel voorbij. De spuitmachines die herbiciden, chemische onkruid-bestrijdingsmiddelen verstuiven, hebben de feestverlichting gedoofd. Want het zomerbal van de wuivende graanakker was vooal zo uitbundig en kleurrig door de bloemen van de onkruiden. De zachte met konfetti bestrooide zandpaden kregen op veel plaatsen een kunstmatige vloerbedekking van hard zwart asfalt. Gemeentelijke uitbreidingsplannen strekken zich bij voorkeur uit over de oude hoge akkers. Het kan niet anders, want de akkers liggen nu eenmaal vlakbij oude dorpskernen. Andere oude akkers worden afgegraven voor zandwinning en al de verarmde resten grond worden met steun van de overheid glad geschaafd. Ook toen de coöperatieve beregening werd ingericht werden veel akkergronden in weiland omgevormd en werden er meer suikerbieten geteeld. In deze zwaar met bio-industrieën drijfmest behandelde weilanden trad ridderzuring meer en meer op, een soort die reageert op vooral varkensmest. Het op steeds groter schaal beschikbaar komen van drijfmest heeft nog meer gevolgen gehad. Het op grote schaal verbouwen van snijmaïs als voedselproduct voor rundvee (kuilvoer) neent steeds grotere vormen aan. Snijmaïs is een gewas dat veel mest op kan nemen. De akkerlandschappen werden eentoniger. De akkeronkruidengemeenschappen werden steeds armer aan soorten. Veel onkruiden zijn uit de akkers verdwenen. Wat word bedoeld als onkruiden zijn alle planten de we op bepaalde plaatsen niet wensen.

In 1970 waren in de akkers veldkrekels vrij algemeen. De grappige oranjegele dwergmuis bouwt kleine bolle nestjes tussen graanhalmen. De kwartel was de meest typische vogelsoort van graanakkers. De patrijs was inde akkers veel talrijker. Overal zagen we in de herfst vrij grotekluchten patrijzen. Ook de bosrietzanger kwam in de meeste graanakkers nog voor. Overal waren in de akkers de veldkeeuwerik, maar ook graspieper algemeen voorkomende soorten. We zagen in de akkers altijd veel witte kwikstaarten naar voedsel zoeken; de meeste daarvan broeden op de akkers zelf. Kieviten werden uit de beekdalen meer en meer verdreven omdat daar door de ontwatering en bemesting de grasgroei eerder in het voorjaar begint. Door de verschuiving in de akkerculturen (meer maïs, aardappelen en bieten) vonden kieviten nieuwe broedbiotopen in de akkers. Kieviten zoeken namelijk bij voorkeur een broedterrein dat in maart en april nog onbegroeid of ijl en kort begroeid is. Maar door de machinale grondbewerking en het gewasonderhoud gaan veel kievitbroedsels verloren.

Bekend zal zijn dat een rijke flora samengaat met een rijke fauna. Een groot deel van onze insectenpopulatie bestaat bij de gratie van wegbermen met gevarieerde begroeïïg. De Engese onderzoeker Moore vond dat in zijn land van 50 zoogdiersoorten er 40% voorkwam in de bermen, houtwallen en hagen langs wegen. Van 200 soorten vogels 20%, van 6 reptielen 100%, van 60 vlindersoorten 42% en van 17 soorten bijen en hommels 47%. In min of meer ruige wegbermen blijkt de microfauna rijk vertegenwoordig. Bijen en hommels, die door het gebruik van herbiciden en insecticiden sterk in aantal achteruitgingen, kunnen zich plaatselijk op nog gave wegkanten handhaven. Deze diergroepen zijn van groot belang als bestuivers van planten en fruitbomen. Onder de insecten die van de wegkantbegroeiingen profiteren zijn veel soorten parasitaire vliegen en wespen die pas volwassen en geslachsrijp worden na het vreten van stuifmeel van pepaalde planten. Veel van deze juist voor de landbouw belanrijke soorten vreten stuifmeel van schermbloemigen. Graafwespen leven onder de grond.

In mijn jeugd jaren (1950/1970) waren er nog voldoende insecten aanwezig en daarom ook nog  een rijkdom aan vogels volop voedsel voor het grootbrengen van de jongen. Maar door de modernisering van de land-en tuinbouw is daar verandering in gekomen. De insecten zijn de laatste 50 jaar met 70% afgenomen. En  27 soorten boerenlandsvogels zijn gemiddeld met 70% teruggelopen. Dat komt neer op de verdwijning van 5,7 miljoen broedparen van het boerenland binnen 50 jaar. De soorten Slobeend, Wilde eend, Fazant, Patrijs, Kwartel, Grutto, Kievit, Wulp, Tureluur, Scholekster, Zomertortel, Veldleeuwerik, Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Oeverzwaluw, Torenvalk, Graspieper, Gele Kwikstaart, Grote Lijster, Spotvogel, Spreeuw, Ringmus, Grasmus, Braamsluiper, Roodborsttapuit, Geelgors, Kneu, Steenuil en Ransuil.

© All rights reserved: Ornitholoog/Natuurfotograaf en Autuer.

Theo van de Mortel.