22. okt, 2020

Wilde dieren van Nederland.

De wildedieren die ik hier beschrijf zijn de dieren die momenteel in Nederland in het wild leven. Het gaat hier om zoogdieren die op eigen kracht Nederland hebben bereikt en zich hier voor minstens tien jaar achter elkaar hebben voortgeplant. Ik heb deze gevolgd vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw. Zo heb ik omdat ik met vogels bezig was om ze te leren kennen ook de dieren daar in mee genomen om ze te vinden en hoe zij hier leefde in de natuur. Het leefgebied van deze dieren heeft door de ruilverkaveling (1960) ook grote gevolgen gehad voor de dieren. Een aantal dieren is de laatste deccennia enorm achteruitgegaan zoals bunzing, hermelijn, wezel (foto), egel, haas, dwergmuis, veldmuis en woelmuis. De oorzaak van de achteruitgang is intensief gebruik van bouw- en grasland, bestrijdingsmiddelengebruik, mechanisering en schaalvergroting van de landbouw. Met de veranderde gewas keuze verdwenen de veldschuren en korenmijten een ideale schuilplek voor de marterachtigen en de plek voor veel muizen. Deze verandering is ook de inzet geweest voor de achteruitgang van deze diersoorten. Ook het maaien van de enorme grote percelen grasland gebeurd vroeg in het voorjaar en met zo'n snelheid dat oude en jonge dieren geen schijn van kans hebben om dit te overleven. Ze worden letterlijk vermalen tot gehakt. Ook het boerenerf heeft een verandering ondergaan oude gebouwen moesten wijken voor moderne stallen en schuren voor varkens en kippen. Dit waren juist de stallen waar de bunzing, hermelijn en wezel een schuilplaats hadden en er was in de omgeving volop levend voer aanwezig in de vorm van muizen en ratten voor het grootbrengen van hun jongen. Oorzaak achteruitgang door verslechtering van het leefmilieu en schaalvergroting in de landbouw en het opruimen van kleinschalige landschapselementen als heggen, houtwallen en mutsertmijten heeft er zeker aan bijgedragen dar er steeds minder geschikte plek is voor veel dieren. Maar ook dieren in de natuur zijn zeker nuttig voor het in standhouding van het totale ecosysteem. De marteachtigen en de vos zijn zeker bij de mesen niet populair het is volgens hen ongedierte omdat zij zich nog wel eens vergrijpen aan pluimvee, maar in de natuur er voor zogen dat het evenwicht niet wordt verstoord. Nu bij het schijven van het boek Wildedieren van Nederland 2020 is het evenwicht al verstoord bij de achteruitgang van de marterachtigen is dit merkbaar het aantal bruine en zwarte ratten is door de professionele ratten bestrijders nu al niet meer beheersbaar (met vergif). Vroeger hielden onze marterachtigen het in evenwicht. De bunzing, hermelijn en wezel vingen elke dag wel een rat of muis of eten een nest met jongen op om te overleven. De professionele ratte of muizen bestrijder komt op de meeste plekken maar een keer in de maand en dat is te weinig en krijgt hij ze niet onder controle. Bovendien als hij iedere dag zou controleren is dit veel te kostbaar en te duur.

Marterachtigen.

Bunzing, wezel, hermelijn, das, otter en boom en steenmarter behoren tot de familie der marterachtigen: (Mustelidae). Samen vormen zij de grootste groep landroofdieren van Nederland. De meeste marterachtige zijn bodumbewoners die zelden klimmen, met uitzondering van boom en steenmarter. Ook zwemmen, doen ze niet graag behalve de otter. Voedsel: De marterachtigen zijn felle rovers die naast muizen, ratten en kikkers ook konijnen niet uit de weg gaan. Ook vogels worden gegeten, zoals weidevogels, patrijzen, vissen, regenwormen, insecten, hagedissen en aas. Ondanks het voornamelijk carnivoren dieet worden ook wel vruchten en fruit gegeten. De marteachtigen zijn nachtactief, overdag wordt gescholen in holen. Meestal wordt tijdens de avondschemering gejaagd. Van vrouwtjes die hun jogen leren jagen is bekend dat ze zich overdag laten zien. Vijanden: Belangrijke vijanden van de marteachtige zijn honden, vossen slangen en de mens. Als marterachtigen in het nauw worden gebracht richten zij de achterzijde op de vijand en spuiten ze een melkachtig vocht uit de geurklieren aan de staartbasis. De geur ervan staat bekend als verschrikkelijk stinkend. De mens heeft een negatieve invloed op de marterachtigen, voornamelijk doordat vele dieren worden doodgereden door het verkeer. En door de mensen worden gedood omdat het wordt gezien als ongedierte. Maar ze zijn eigelijk nuttig vanwege de gewoonte om op muizen en ratten te jagen en zo het evenwicht in de natuur in stand te houden. Een uitzondering is de steenmarter die jaagt ook op kippen en ander pluimvee, dit tot ergenis van (hobby) pluimveehouders.

Otter.

De otter (Lutra lutra) is een marteachtige uit het geslacht lutra. De otter leeft vooral in zoetwatergebieden met voldoende bedekking, als rivieren, meren, kanalen, beken en moerassen. Door moelijke leefomstandigheden was de otter in 1988 definitief als uitgestorven verklaard in Nederland. In 2002 werd veel moeite gedaan om de otter te herintroduceren en werden er een aantal otters uitgezet in de weerriben. Dit resulteerde in 2004 in de eerste vier in het wild geboren otterjongen. In 2019 bleek de herintroductie vooralsnog succesvol. De otters verspreiden zich steeds meer over het land. Otters zijn vooral 's nachts actief. Overdag gebruiken ze beschutte plaatsen als rietbedden, ondergrondse holten en holle bomen als rustplaats. De otter eet voornamelijk vis maar hij eet ook amfibieën, watervogels, woelratten, revierkreeften, krabben, wormen en insecten.

Das.

De das is een roofdier behorende tot de familie der marterachtigen (Mustellidae). De das is een nachtdier hij verblijft overdag in een ondergrondse burcht. Dassen zijn alleseters. Het zijn slechte jagers ze eten daarom voornamelijk regenwormen. Verder eten ze bosvruchten, gevallen fruit, noten, eikels, knollen, maïs, granen, paddestoelen, knaagdieren, slakken, kevers, hommel- en wespenbroed.

Eekhoorn.

De eekhoorn (Sciurius vulgaris) is in Nederland vrij algemeen. Het is een omnivoor, die tot de knaagdieren behoort. De eekhoorn leeft voornamelijk in uigestrekte naaldbossen en gemende bossen waarin naaldbomen overheersen. Ze komen ook voor in parken en tuinen. De kleur variëren van zwart met allerlei titen rood en bruin. De eekhoorn is een dagdier. Hij voed zich vooral met noten en zaden van sparren en pijnbomen. Verder eten ze knoppen, paddestoelen, boomschors en dierlijk materiaal, als insecten, eieren en zelfs jonge vogels. De eekhoorn eet dagelijks vijf procent van zijn lichaamsgewicht aan voedsel.

Egel.

De egel (Erinaceus europaeus) egels komen voor in een grote variatie aan landschappen, zolang er voldoende onderbegroeiing is en de bodem niet al te voctig is. Ze zijn plaatselijk talrijk in loofbossen met ondergroei. Egels houden van randgebieden waar deze leefgebieden samenkomen. Ook in de buurt van de mens komt hij voor, voornamelijk in tuinen en boomgaarden. Hij is algemener in halfstedelijk dan landelijk gebied. In versnipperd gebied gebruikt hij bermen en kleine paadjes als verbindingswegen. De egel is een insecteneter, die zijn voedsel voornamelijk in de ondergroei zoekt. Hij eet vooral regenwormen, rupsen, kevers, slakken, spinnen, kleine gewervelde dieren zoals kikkers, padden, hagedissen, jonge vogeltjes, knaagdieren, spitsmuizen en mollen. Verder staan op zijn menu ook eieren, aas, paddenstoelen, bessen en vruchten. In extreme omstandigheden doodt de egel zelfs levende kuikens. Egels houden een winterslaap van oktober tot maart. De belangrijkste natuurlijke vijanden zijn de das, buzing, vos en wildzwijn. De belangrijkste doodsoorzaak is echter verhongering tijdens de winterslaap en in stedelijke gebieden het verkeer. Het verkeer is echter niet de enige menselijke doodsoorzaak. Ook vergiftiging door pesticide, egels kommen soms terecht in maaimachines.

Haas.

De haas (Lepus europaeus) is een zoogdier, dat net als het konijn tot de orde der haasachtigen (Lomorpha) behoord. De haas komt in Nederland algemeen voor op open gras- en landbouwgebieden. De haas is min of meer een nachtdier. Overdag is hij slechts mondjesmaat actief,  maar op warme zomerdagen is hij ook later op de ochtend en vroeg op de avond al actief. Hij licht overdag meestal platgedrukt tegen de grond, voor of in zijn leger. Het leger bevindt zich meestal op een zonnige, doch beschutte plaats en is zelfgegraven. De haas is een planteneter. Hij leeft voornamelijk van grassen en kruiden zoals klaver, kruisbloemigen en paardenbloemen, aangevuld met knoppen, zaden, twijgen, wortels en landbouwgewassen als bieten, koolplanten, wortelen en granen. Daarnaast eet hijvoornamelijk kruiden en scheuten. In strenge winters eet hij tevens schors. Ook eet de haas zijn eigen uiwerpselen (coprofagie) om poteïnen en vitamine binnen te krijgen. Jonge hazen zijn nestvlieders en kunnen zich al direct zelfstandig voordbewegen. Ze worden met geopende ogen en wollige vacht geboren en wegen bij de geboorte gemidded 110 gram. Pasgeboren haasjes zijn geheel geurloos, zodat roofdieren als vossen ze niet kunnen ontdekken. De eerst twee á drie dagen blijven de jongen bij elkaar, maar hierna zoekt ieder jong zijn eigen ondiep legertje waar hij zich de gehele dag in verbergt. De jongen worden drie weken lang gezoogd. Na een week eten de jongen hun eerste vaste voedsel, meestal gras of jonge planten. Een belangrijke bedreiging voor de haas vormt de moderne landbouw (dekomst van de ruilverkaveling). De meer intensieve landbouw en de monoculturen zorgden voor het verdwijnen van hagen en houtwallen en minder variatie aan wilde planten. De haas wordt gedwongen zich te voeden met stikstofrijk weidegrassen en akkergewassen, terwijl hij ingesteld is op gevarieed, stikstofarm voedsel. Veel dieren sterven ook door pesticiden en herbiciden, en ongelukken met landbouwmachines als maaimachines. Ook sterven veel dieren door het verkeer.

Konijn.

Het konijn (Oryctolagus cuniculus) is een zoogdier uit de familie der hazen Leporidae). Het is de enige soort uit het geslacht Oryctolagus. Het konijn is een schemerdier (ook wel schemeractief genoemd). Het konijn leeft van een grote variatie aan plantaardig voedsel: grassen, kruiden, loten, knollen, bast en akkergewassen als graan en kool. Ook eten ze hun eigen uitwerpselen (Coprofagie). dit is een soort van herkauwing in twee fase, na de eerste vertering eet het konijn de uitwerpselen rechtreeks uit het recum. Het konijn leeft voornamelijk in open weiland, heidegronden, liefst met een droge, losse, zanderige bodem. Ook komt hij voor in open bossen, de rand van landbouwgebieden in dorpen op kerkhoven en industrieterreinen. De draagtijd van een konijn is 30 dagen en de jongen worden geboren in een ondergrondse nestkamer. Het nest bestaat uit gras en mos en bedekt met vachthaar uit de buik van de moeder. De jongen zijn bij de geboorte kaal en blind, en wegen 35 gram. Na tien dagen gaan de ogen open. Ze worden 25 dagen lang gezoogd. Sinds 1994 daald de populatie in Nederland zeer snel. In 2004 was er nog maar een derde over van het aantal uit 1994. Oorzaak is waarschijnlijk een dodelijke variant van het RHD-konijnenvirus en myxomatose. Ook het verkeer de toenemde bebouwing van het biotoop, jacht en predatie spelen een grote rol bij de achteruitgang.

Herten.

Het edelhet (Cervus elaphus) is een evenhoevig zoogdier uit de familie der hertachtigen. Het edelhert komt in Nederland voor op de Veluwe, in de Oostvaardersplassen, in het Weerterbos en in het Groene Woud. Het edelhert komt voor aan de randen van droge loofbossen en heidevelden, als zeer vochtige milieus als venen en moerassen, bosgebieden die grenzen aan de uiterwaarden van rivieren en beken. Edelherten eten plantaardig voedsel: het zijn herbivoren. Ze voeden zich met gras, zegge, bies, heide, boomschors, knollen, wortels, vruchten, zaden, knoppen, scheuten en loof van bomen en struiken zoals wilg, spar en landbouwgewassen. Edelherten zijn de heledag door actief. In de zomer en in de winter vormen de herten roedels. De vrouwelijke herten (hinden) en onvolwassen dieren van beide geslachten vormen aparte roedels. Hinderoedels worden meestal geleid door een dominant vrouwtje. De volwassen mannelijke dieren vormen afzonderlijke roedels. De bronstijd valt in de tweede helft van september tot begin oktober. Eind mei, begin juni, na een draagtijd van 235 dagen, wordt één kalf geboren. Het kalf heeft bij de geboorte een gevlekte vacht. Deze dient ter camouflage: de eerste twee weken zal de moeder haar kalf vaak alleen laten, om enkel terug te keren om het jong te zogen.

Ree.

Ree (Capreolus capreolus) is een evenhoevig zoogdier uit de familie van de hertachtige (Cervidae) en is in Nederland het meest voorkomende dier. Leeft in bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden. In de schemer waagt de ree zich in open terrein om te grazen. De ree is geen grazer zoals een hert, maar een knabbelaar: het dier eet bramen, bessen, twijgen, scheutten, knoppen en loten van struiken en bomen. En ook kruiden, grassen, bladeren, noten, paddestoelen en landbouwgewassen, granen en eikels. De ree is vrij selectief en eet enkel de meest voedzame delen van een plant. En is de ree  voornamelijk in de vroege morgen en late avond actief.

Wild zwijn.

Het wild zwijn (Sus scrofa) is een zoogdier uit de familie van de varkens Suidae. Nederlant kent twee officiële leefgebieden voor het wild zwijn: het eerste gebied is de Veluwe. Het tweede gebied is Nationaal Park De Meinweg. Voor overig Nederland hanteert men een zogenaamd nulstandbeleid. Toch weten de wilde zwijnen zich in enkele regio's ver buiten hun officiële leefgebied goed te handhaven en zelfs uit te breiden, o.a. de Goote Peel, het Leenderbos en De Pan-Boxenberg. Wilde zwijnen zijn van nature niet overdag, maar in de schemer en's nachts actief. Zij zijn omnivoor en eten veel gewassen als maïs, bonen, aardappels, granen, bieten, eikels, kastanjes en op de grond gevallen fruit. Ook vormen klavers, grassen en kruiden een voedselbron. Als dierlijke eiwiten eten ze jone vogels, hagedissen, regenwormen, muizen en aas. Vaak wroeten ze met hun gevoelige snuit in de bodem, Wilde zwijnen leven in groepen die rotten worden genoemd en bestaan uit vrouwtjes met hun jongen en een- tweejarige zwijnen. Keilers leven buiten de paringstijd meestal solitair. Bij wilde zwijnen duurt de paartijd van september tot maart. Na een draagtijd van drie en een halve maand worden de jongen geboren. Zeugen krijgen vaak een maal per jaar 8-10 jongen per worp. 

Vos.

De vos (Vulpes vulpes) is familie van de hondachtigen Canidae. De vos kan zich goed aanpassen en komt in bijna elke habitat voor: moerassen, gebergte, duinen, en landbouwgebieden. Ook komt de vos voor in stedelijk gebied, voornamelijk in buitenwijken, waar huizen grote tuinen hebben, en in stads parken. Het favoriete habitat is bos met open gebieden en struwelen. Het teritorium kan tot 12 km bedragen, al naargelang van voedselaanbod, en veilige nestplaatsen. Het teritorium wordt afgebakend met geursporen, voornamelijk urine en uitwerpselen, die worden geplaatst op duidelijk zichtbare en ruikbare plaatsen. Vossen leven in een hol. Het hol is zelf gegraven of van een konijn of een das. De doorsnee van de gang naar het hol is ongeveer 20 cm. Een zelf gegraven hol bevindt zich meestal in een zandbank, onder een omgevallen boom, of boomwortels en heeft vaak twee tot vier ingangen. Een groot hol, met meerdere ingangen, wordt een burcht genoemd. De paartijd vindt plaats in de winter. Na een draagtijd van 55 dagen worden de jongen geboren (tussen maart en mei). Een worp telt meestal 4 tot 6 welpen. Bij de geboorte zijn de jongen blind en doof en wegen ongeveer 100 gram. De eerste drie weken zijn de jongen volledig afhankelijk van hun moeder. Na veertien dagen gaan de ogen open. Na zeven weken hebben de welpen een volledig melkgebit. Vossen jagen, meestal's nachts  en in de schemering, maar in onverstoorde gebieden jaagt hij liever overdag. De vos is een oppertunist: hij eet bijna alles. Zijn prooien zijn meestal kleine en middelgrote prooidieren, zoals grote kevers, muizen, ratten, konijnen, hazen, vogels en eieren, regenwormen en egels. Ook vruchten en bessen wordengegeten, evenals aas, en afval.  Dagelijks moet een vos ongeveer vijfhonderd gram aan voedsel binnenkrijgen. Een vos doodt soms meer dan hij nodig heeft. Deze worden begraven en later weer opgezocht. In de natuur kan de vos zo'n tien jaar oud worden. Jacht is de voornaamste doodsoorzaak. Ook worden veel vossen slachtoffer van schurft en het verkeer.

Wilde kat.

De wilde kat (Felis silvestris) is een roofdier uit de familie der katachtigen Felidae. Hij komt voor in loofbossen en bosranden. De wilde kat is in Nederland zeer zeldzaam, in de periode 1999-2020 zijn er in Nederland ten minste vijf waarnemingen gedaan van wilde katten. In 2015 werd op de Strabrechtse Heide een wilde gefilmd. De wilde kat is een solitaire soort die in de schemer of 's nachts op jacht gaat. Hij jaagt voornamelijk op knaagdieren, konijnen en vogels. Soms grijpt hij ook andere kleine en middelgrote zoogdieren, kikkers, reptielen, vissen en insecten. De wilde kat eet zelden aas.

Wasbeer.

De wasbeer (Procyon lotor) wasberen zijn een geslacht van roofdieren uit de familie Procyonidae. De wasbeer is een invasieve exoot: de dieren komen waarschijnlijk uit Duitsland, waar ze al jaren leven. In Nederland leven 50 tot 100 dieren in het wild.

Muizen.

Dwergmuis (Micromys minutis). Is het kleinste knaagdier van Europa. De dwergmuis komt voor in hoog gras zeggen en graan- rietvelden, ruigten en dijkbegroeiing, maar ook in kreupelhout, houtwallen, hagen en braamstruiken. Vooral de aanwezigheid van hoogopgaande dichte vegetatie is van belang. De soort komt nauwelijks voor in intensief gemaaide graslanden. In de winter zoeken de dieren soms graanschuren, hooimijten of strobalen op. De dwergmuis leeft voornamelijk bovengronds. Het voedsel is zeer gevarieerd hij eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Zo eet hij zaden, granen, vruchten, bessen, knoppen, jonge scheuten, zacht fruit, mossen, paddenstoelen, wortels en grassen. Daarnaast eet hij ook insecten, motten, sprinkhanen en rupsen. Door zijn actieve manier van leven, moet de dwergmuis dagelijks1/3 van zijn lichaamsgewicht eten om in leven te blijven.

Veldmuis (Microtus arvalis) is in Europa een vrij algemeen voorkomende knaagdiersoort. Ze leven graag in gebieden waar grassen en granen te vinden zijn. Zij behooren tot de familie van de (woelmuisachtigen). Veldmuizen leven graag in open gebieden met grassen en/of granen, zoals graanakkers, wegbermen, dijken, spoorwegtaluds, slootkanten. graslanden en klavervelden. Ze leven het liefst in droge streken met kort gras. De veldmuis is een planteneter. Hij eet voornamelijk grassen, kruiden, granen en zaden, mogelijk aangevuld met insecten en slakken. ze zijn 's nachts en in de schemer actief. De veldmuizen leven gewoonlijk alleen in hun hol waar een of meerdere kamers in het gangenstelsel te vinden zijn, waar voedsel word opgeslagen. De veldmuis kent vele vijanden. Voor veel carnivoren en omnivoren is een grote veldmuizenpopulatie een onuitputtelijke bron van mineralen en hoogwaardige, dierlijke eiwitten. Denk hierbij aan bunzing, hermelijn, wezel. steenmarters, vossen, roofvogels, uilen meeuwen, kraaien, ooievaars en reigers. De populatieontwikkeling van de veldmuis kent een cyclus van gemiddeld vijfjaar. Een muizenplaag kan zich voordoen als de piek van de cyclus samenvald met ideale omstandigheden zoals een droog voorjaar, zacht najaar en zachte winter. Na de piek stort de populatie meestal weer in door voedsegebrek, kou, stres en predatie.

Rosse woelmuis (Myodes glareolus) is in Nederland vrij  algemeen voorkomend. Rosse woelmuizen eten plantaardig voedsel als zachte zaden, vlezige vruchten, bladeren, kruiden, paddenstoelen, mossen, boomschors, wortels, knoppen en gras, en ook insecten, wormen en slakken. Woelmuizen zijn zowel 's nachts als overdag actief. Rosse woelmuizen zijn in  Nederland aan te treffen op hogere gronden, in struikgewas, bos en plaatsen met veel vegetatie. Woelmuizen krijgen meestal drie tot vijf jongen per worp, en vijf worpen per jaar. Ook de rosse woelmuis maakt een populatiecyclus door, waarbij op het hoogtepunt van de cyclus een ware explosie aan dieren kan optreden en ze plagen kunnen vormen.

© All rights reserved:  Auteur Theo van de Mortel.