De geelgors.

31. okt, 2020

 

De geelgors (Emberiza citrinella) is een zangvogel uit de familie der gorzen (Emberizidae). Het is de meest voorkomende gors in Europa.

Foto: Geelgors man in de winter. voor meer foto's ga naar. www.theovandemortel3.nl

 

Voorwoord.

Toen ik in 1968 van de vorige eeuw begon met het observeren van de in Nederland voorkomende wilde vogels waren er nog grote aantallen het jaarrond aanwezig. De geelgorzen die ik hier beschrijf zijn de broedvogels en overwinteraars die in Nederland broeden, de trek en overwinteraars. Ik heb ze gevolgd vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw. Alles wat ik beschrijf is de werkelijkheid en er is niets verzonnen. Waarom deze blog over de geelgors?

Ik ben geboren in Heusden bij Asten aan de rand van de Groote Peel. Het was een kleinschalig boerendorp, omringd door boerenlandheggen en houtwallen, veldbossen, struweelbosjes en moerasachtige broekbossen. Er werd veel graan verbouwd op het boerenland, zoals Rogge, Tarwe Gerst en Haver. In deze graanvelden groeiden veel onkruiden. Volop voer voor veel akkervogels zaals de geelgors. De geelgors heeft in mijn jeugd al indruk op mij gemaakt. Bij Piet Wijnen aan het Sengersbroek waar ik geboren ben stond in de moestuin een voliëre met vogeltjes o.a. kanaries, vinken, sijsjes, groenvinken, distelvinken en schrijvers (geelgorzen). Piet was een vogelvanger. In de hoogstamfruitbomen hingen zelfgemaakte klepkooitjes en op de grond zeven om vogels mee te vangen. Dit stond mij wel aan en zo is het vogelvangen bij mij begonnen. Zo ook de vogelliefhebberij als kooivogels. Ik ben in 1971 met Theodoor Lammers uit Maarheezen vogels gaan ringen voor het vogeltrekstation en in 1973 ook onderzoek gaan doen voor Sovon. Zo heb ik het gedrag van vele vogels goed leren kennen. Waar ze te vinden zijn en hoe zij leven in de natuur van Nederland. Ik heb daar vele mooie herinneringen aan overgehouden en die verwerkt in deze blog. Verwerkt heb ik natuurlijk ook de geelgors en hoe het ze de algelopen 50 jaar is vergaan.

Kenmerken.

Het is een stand- en zwerfvogel die iets groter is dan de huismus. De mannetjes dragen tijdens het broedseizoen een geel verenkleed. Ze hebben dan een helder gele kop met een paar bruinachtige strepen en een gele onderzijden met een roestbruine borst. De bovenzijde van het lichaam is bruin met donkere lengtestrepen. De staart is donker met witte buitenranden. De vrouwtjes zijn somberder gekleurd, groenbruin van kleur, maar met gele accenten aan de onderkant. In het winterkleed lijken de mannetjes en de vrouwtjes op elkaar. Juveniele vogels. zijn het eerste jaar dokerder van kleur en na de eerste rui lijken ze op de vrouwtjes

Leefwijzen.

Het mannetje van de geelgors is zijn territorium zeer trouw en kan jaren achtereen op een vaste plaats zijn lied laten horen. Dit bestaat uit een herhaling van één noot, gevolgd door een uithaal, bijvoorbeeld tsi-tsi-tsi-tsi-tsi-éééééh. Zoals de meeste gorzen zoeken ze het voedsel op de grond. De geelgors leeft hoofdzakelijk van diverse onkruidzaden en granen waarbij tarwe en haver de voorkeur krijgen. Ook belangrijk zijn stoppelakkers (graankorrels) voor de winteroverleving.

Verspreiding.

Het broedgebied van de geelgors strekt zich uit tot in noordelijk Scandinavië en Finland, in het zuiden tot in Portugal, Noord-Spanje, Midden-Italië en in het zuidoosten tot Joegoslavië en Hogarijen. In Midden-Europa is de geelgors een overal veelvuldig voorkomende broedvogel. In Nederland en Begië was in 1975 de soort nog een algemeen voorkomende broedvogel. (c.a. 200.000 broedparen). Nu in 2020 is het een zeldzame broedvogel. (c.a. 25.000 broedparen bron SOVON). De geelgors komt voor in heide begroeid met ver uit elkaar staande bomen, in bosranden, wegbermen, heggen en houtwallen.

Trek.

Het grootste deel van de bij ons broedende geelgorzen overwinteren in Nederland. Bovendien krijgen we in de winter nog aanvulling van trekvogels uit Noordoost-Europa.

Voortplanting.

Het nest van de geelgors zit meestal op de grond in slootkanten tussen hoge planten en vooral in braamstruiken. De buitenkant van het nest is gemaakt van halmen, worteltjes en stukjes gras; van binnen is het met haar en fijne halmpjes bekleed. Het nest wordt door het vrouwtje gebouwd onder begleiding van het mannetje. Het legsel bestaat meestal uit 4 tot 5 witachtige eieren met bruine vlekken en streepjes. Ze worden alleen door het vrouwtje uitgebroed. De broedtijd bedraagt 12 dagen. Wel worden de jongen door beide ouders verzorgd. Het voedsel bestaat de eerste week uitsluitend uit levend voer zoals insecten, spanrupsjes, wormpjes rijk aan eiwitten. Op een leeftijd van 12 dagen verlaten de jongen het nest.

De achteruitgang.

Een belangrijke verandering bij bouwlanden betreft de gewaskeuze. Rond 1960 namen vooral rogge, tarwe, haver en gerst een groot areaal in beslag. Daarna neemt het areaal geleidelijk af ten gunste van snijmaïs en aardappels. Veel akkeronkruiden zijn door deze verandering en als gevolg van intensievere landbouw en bemesting inmiddels zeldzaam geworden. Ook veel vogelsoorten die op akkers en akkerranden broeden zijn achteruitgegaan. Intensief gebruik van bouw- en grasland, bestrijdingsmiddelengebruik, mechanisering en schaalvergroting van de landbouw zijn enkele van de oorzaken van de achteruitgang van de vogel en insectenstand in Nederland.

De voornaamste oorzaak van de achteruitgang van de geelgors is het verdijnen van kleinschalige landschapselementen als heggen, houtwallen en extensief beweide graslanden. Door het afnemen van graanakkers met lage gewassen, onkruiden en braakliggende grond is de geelgors sinds 1975 met 80% afgenomen .

© All rights reserved: Ornitholoog en Auteur.

Theo van de Mortel.